Skip to content

Achtergrond

Geschiedenis van Palestina

Voortschrijdende Nakba…. doorgaand verzet ! Een gesprek met Hazem Jamjoum

Hazem Jamjoum is de mediacoördinator van Badil – een Palestijnse organisatie die gevestigd is in Bethlehem en zich vooral toelegt op het behartigen van de belangen van de Palestijnse vluchtelingen.

Badil is één van de initiatiefnemers van het Boycott National Comitee (BNC). Als zijn woordvoerder speelt Jamjoum een belangrijke rol in het ondersteunen van activisten in Europa die bij de internationale BDS-campagne betrokken zijn [BDS staat voor Boycot, Desinvesteren & Sancties].

——————————————————————–

Israel als Apartheidstaat

Tegenwoordig wordt het woord Apartheid regelmatig gebruikt in relatie tot Israel. Vaak wordt er dan gedacht aan een vergelijking met Apartheid in Zuid-Afrika en bij sommige mensen roept dat weerstand op. Apartheid is evenwel een misdaad die binnen het internationaal recht wordt gedefinieerd als het op institutionele wijze in stand houden van dominantie van één groep mensen over een andere groep mensen door middel van systematische onderdrukking. Deze definitie van de misdaad van Apartheid is verwoord in een internationale conventie, die na de Soweto Opstand van 1976 is opgesteld (The International Convention on the Suppression and Punishment of the Crime of Apartheid). In 2002 is in het Rome Statute of the International Criminal Court de misdaad van Apartheid nogmaals expliciet genoemd als een misdaad tegen de menselijkheid, waarbij dezelfde definitie gehanteerd is als hierboven gegeven Israel schendt alle mensenrechten die in de beide teksten worden opgesomd.

In Zuid-Afrika was er naast institutionele Apartheid ook sprake van wat men wel de petty [kleine] Apartheid noemt, waarbij in het straatbeeld duidelijk was dat bepaalde plaatsen voor zwarten niet toegankelijk waren. In Israel zal je geen bordjes vinden waarop staat dat bepaalde locaties voor Palestijnen verboden zijn, terwijl in praktijk hele gebieden voor hen niet toegankelijk zijn. Er bestaan in Israel ook geen duidelijke wetten die een onderscheid maken tussen joodse en niet-joodse Israeli’s. Vaak wordt een combinatie van wetten gebruikt die samen tot gevolg hebben dat Palestijnen op, volgens de Israelische wetgeving, legale wijze een andere behandeling krijgen.

Een voorbeeld hiervan is het gebruik van militaire orders die Palestijnen verbieden hun grond te betreden, terwijl er vervolgens een oude Turks-Osmaanse wet wordt aangeroepen, op basis waarvan een stuk grond dat drie jaar lang niet is bewerkt, aan de Staat vervalt.

In Zuid-Afrika was het doel van de Apartheid om gebruik te maken van goedkope zwarte arbeidskracht in ondernemingen van de blanken. Hoewel in Israel eveneens gebruik wordt gemaakt van goedkope Palestijnse arbeidskracht, is dit niet het voornaamste doel. In Israel is Apartheid onderdeel van de zionistische ideologie.

Het politieke zionisme is aan het eind van de 19e eeuw in Europa opgekomen en kan niet los worden gezien van de eeuwenlange discriminatie en vervolging van de joodse minderheid daar. Daarop is door joden op verschillende manieren gereageerd. Sommigen van hen wilden volledig integreren in de samenleving waarin zij woonden. Anderen werden actief binnen revolutionaire bewegingen die zich inzetten voor ingrijpende politieke, sociale en economische veranderingen en daarmee streden tegen onderdrukking, uitbuiting en discriminatie door de heersende klasse.

De 19e eeuw is de eeuw van het nationalisme en het idee van de natie-staat als een nieuw concept. Onder invloed daarvan zetten joodse intellectuelen de joodse identiteit om van een religieuze in een nationale. Uitgangspunt van het politieke zionisme was om, als reactie op oplaaiend antisemitisme, een joodse staat te vestigen, die de veiligheid van joden zou waarborgen.

Onder zionistische joden bestond aanvankelijk verschil van opvatting over waar een dergelijke staat zou moeten komen. Er zijn diverse opties besproken – in Afrika en in Latijns-Amerika. Tijdens de Conferentie van de Zionistische Beweging in Basel in 1897 is besloten dat het Palestina moest worden. Om die staat te helpen verwezenlijken is de World Zionist Organization (WZO) in het leven geroepen. Bij dit alles is het zionisme een exclusivistische ideologie, die gericht is op het vestigen van een staat voor uitsluitend joden.

Met het streven een joodse staat in Palestina te vestigen stuitten de zionisten op een probleem, aangezien Palestina geen leeg land was, maar al eeuwenlang door Palestijnen werd bewoond. In het zionistische beeld bestonden zij niet. Het zou slechts gaan om een bevolking van nomaden, tijdelijke bewoners dus. In werkelijkheid was er in Palestina sprake van een oude beschaving, waren er honderden dorpen en een aantal grote steden, van waaruit internationaal handel werd gedreven.

Om zoveel mogelijk grond in Palestina voor exclusieve joodse vestiging in bezit te krijgen, is het Joods Nationaal Fonds (JNF) opgericht. Als uitgangspunt van de Zionistische Beweging gold: zoveel mogelijk grond, met daarop zo min mogelijk van de oorspronkelijke bewoners – de Palestijnen. Door het JNF is geld ingezameld om in Palestina grond aan te kopen. Dat is geen doorslaand succes gebleken. In 1947 – een halve eeuw na de aanvang van zijn activiteiten – was het JNF erin geslaagd om slechts 6,7 procent van de grond van Palestina aan te kopen. Ruim 90 procent was nog altijd in handen van Palestijnen.

Naast de WZO en het JNF is voorts het Joods Agentschap (JA) in het leven geroepen, dat tot taak had om zoveel mogelijk joden vanuit de hele wereld naar Palestina over te brengen.

De Zionistische Beweging zou na de Eerste Wereldoorlog en de vorming van het Britse Mandaatgebied Palestina de wind in de zeilen. Want op basis van de zogeheten Balfour Declaration (2 november 1917) stond Groot-Brittannië de vestiging van joden in Palestina toe. Hoewel door toedoen van de activiteiten van de Zionistische Beweging en de politiek van de Britten er zich rond 1920 reeds 100.000 joden in Palestina hadden gevestigd, zou hun aantal in de daaropvolgende decennia verder toenemen. Dat was vooral een gevolg van de opkomst van Nazi-Duitsland en later het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Veel joodse vluchtelingen wilden zich overigens bij voorkeur niet in Palestina vestigen, maar naar elders in de wereld (vooral in de Verenigde Staten). Maar nadat veel landen, inclusief de Verenigde Staten, hun grenzen voor joodse vluchtelingen hadden gesloten, bleef Israel als enige optie over. Kortom, veel joodse immigranten kwamen niet uit ideologische overtuiging naar Palestina, maar als vluchteling voor de Nazi’s en later als overlevende van de Holocaust. Tegen 1946 woonden er al rond 600.000 joden in Palestina, tegenover 1.237.000 Palestijnen. Dat wil zeggen, dat zij in die tijd ongeveer een derde van de totale bevolking van Palestina uitmaakten.

Al vroeg zijn Palestijnen gaan inzien, dat de joodse immigranten niet kwamen om met hen samen te leven, maar als kolonisten die het land wilden overnemen. Dit leidde to verzet van de kant van Palestijnen en de opkomst van een Palestijnse verzetsbeweging. Deze richtte zich behalve tegen de joodse kolonisten ook tegen hun Britse beschermheren. In de daaropvolgende jaren werden het Palestijns verzet door de Britten zware klappen toegebracht en hun leiders gevangen gezet. Tezelfdertijd werden de zionisten door de Britten militair getraind. Aan de vooravond van de proclamatie van de Staat Israel (14 mei 1948), zou de Hagana – de voorloper van de Israeli Defense Force (IDF) – tot een goed getrainde en goed bewapende strijdmacht uitgegroeid zijn.

Vanaf de jaren dertig is door de joodse kolonistengemeenschap in Palestina gewerkt aan een plan om de diverse joodse nederzettingen met elkaar te verbinden en het omringende land van Palestijnen te ontdoen. Dit plan is drie maal herzien – Plan A, B en C – om uiteindelijk uit te monden in Plan D (Plan Dalet). Rondom de stichting van de Staat Israel in 1948 is dit plan doorgevoerd. Om de massale verdrijving van Palestijnen te bewerkstelligen, werden Palestijnse dorpen door zionistische strijdgroepen aan drie kanten afgesloten. In de daarop gevolgde aanval zagen de Palestijnse inwoners zich gedwongen om via de enig overbleven uitgang het dorp te ontvluchten – en wel richting de buitengrenzen van het Mandaatgebied Palestina – richting Libanon, Trans-Jordanië en Egypte. Anderen zochten per boot via de zee een veilig heenkomen. Hele stadswijken trof een zelfde lot. Naar schatting 800.000 Palestijnen zo in een periode van enkele maanden van huis en haard verdreven. Hun woonhuizen en andere bezittingen zijn vervolgens door zionistische strijdgroepen leeggeroofd en – in het geval van de dorpen – verwoest. In totaal ging het daarbij om 531 dorpen. In het hele proces zijn er zo’n 60 massamoorden gepleegd.

Niet uit alle steden zijn de Palestijnen volledig verdreven of weggevlucht. Door de Israelische machthebbers zijn deze nadien als ‘mixt cities’ aangeduid. De daar woonachtige Palestijnen zijn in een bepaalde stadswijken samengebracht, die met prikkeldraad werden omgeven en waarvan de toegang door militairen werd bewaakt. Joodse Israeli’s uit Europa herkenden hierin de getto’s die zij eerder ontvlucht waren of waaruit zij verdreven waren en protesteerden tegen deze politiek. Palestijnen die in die tijd wat Hebreeuws oppikten, dachten dat het woord getto de Hebreeuwse woord voor ‘Arabische buurt’ was. Tot de dag van vandaag gebruiken zij dit woord om hun stadswijk mee aan te duiden.

Er waren ook plaatsen waar de Palestijnse inwoners zich verzetten, zoals in Salame (nabij de havenstad Jaffa), waar de aanvallen van de Hagana tot vier keer toe werden afgeslagen, totdat men door de munitie heen was.

In sommige dorpen werden de huizen niet meteen verwoest, maar later in zogeheten ‘clean up operations’. In het Hebreeuws werden deze operaties aangeduid met het woord ‘matate’, wat ‘bezem’ betekent. Nieuwe Israelische wetten duidden verdreven Palestijnen die naar hun dorpen probeerden terug te keren als infiltranten.

De grond van verdreven of gevluchte Palestijnen is als ‘absentee property’ overgedragen aan het JNF, dat door de Staat met het beheer daarvan werd belast. Vanaf het begin jaren zestig had het JNF als privé-instelling 93 procent van de grond van Israel in beheer, die volgens haar eigen statuten voor exclusief joods gebruik was. Deze constructie maakte dat de Staat Israel niet discrimineert, aangezien het beheer over de grond niet in handen van de staat lag, maar in dat van het private JNF.

Tot de dag van vandaag is het, in het internationaal recht verankerde recht op terugkeer van de rond 800.000 Palestijnen niet geïmplementeerd. Sinds 1948 wordt het elk jaar in VN-resoluties herbevestigd . Door natuurlijk aanwas zijn er inmiddels wereldwijd rond 7,1 miljoen Palestijnse vluchtelingen. Al met al gaat het hier om het langst bestaande vluchtelingenvraagstuk, waarbij het grootste aantal vluchtelingen betrokken is, uit het in termen van oppervlakte kleinste conflictgebied in de wereld.

In de Strook van Gaza is 1,1 van de 1,5 miljoen inwoners vluchteling. De meeste van hen wonen op minder dan een half uur afstand van hun oorspronkelijke woonoorden, die tot op de dag van vandaag onbewoond zijn gebleven. Vaak wordt gezegd, dat het niet mogelijk is om de Palestijnse vluchtelingen naar hun oorspronkelijke woonoorden terug te laten keren. Echter, 84 procent van de grond waar vandaan de vluchtelingen zijn verdreven, is nog altijd niet bebouwd. Daar zouden voor vluchtelingen die willen terugkeren nieuwe huizen gebouwd kunnen worden. In feite zouden alle vluchtelingen in de Strook van Gaza binnen een half uur naar hun oorspronkelijke woonoorden terug kunnen keren.

In Israel heeft het Apartheidssysteem zich het meest duidelijk gemanifesteerd tussen 1948 en 1966. Toen is er voor Palestijnen een militair bestuur ingesteld, die als ingezetenen van de staat Israel het Israelische staatsburgerschap hadden gekregen. In die periode vielen joodse Israeli’s onder civiel recht – dat wil zeggen onder wetten die via de Knesset (het parlement) tot stand zijn gekomen – terwijl Palestijnen onder militair bestuur vielen. De lokale militaire commandant had het daarbij voor het zeggen. In genoemde periode leefden de Palestijnen in afgesloten gebieden, die zij zonder een vergunning van de lokale militaire commandant niet mochten verlaten.

In de zogeheten Group Areas Act ten tijde van het Apartheidsregime in  Zuid-Afrika was het heel duidelijk dat er in de wetgeving sprake was van racisme en er tussen de bevolkingsgroepen onderscheid werd gemaakt. In Israel is dat minder duidelijk. Aan de institutionele discriminatie van de Palestijnen in Israel ligt een reeks ondemocratische wetten ten grondslag. Zo is in 1965 een de Wet op de Ruimtelijke Ordening uitgevaardigd, op basis waarvan een aantal Palestijnse werd uitgesloten. Want met het inwerking treden van de wet werden deze dorpen illegaal verklaard. In het officiële jargon wordt gesproken over ‘unrecognized villages’. Zij zijn niet aangesloten op het water- en elektriciteitsnet en evenmin op het wegennet (wanneer een joodse familie zich in het gebied vestigt, krijgen zij  dergelijke faciliteiten direct aangeleverd). Bewoners van de ‘unrecognized villages’ worden gedwongen naar zogeheten ‘rikazim’ te verhuizen. Woonhuizen en ander onroerend goed zijn in deze dorpen illegaal verklaard en worden met enige regelmatig gesloopt. De eigenaren krijgen achteraf de rekening van de sloop gepresenteerd.

De Palestijnen die in deze dorpen wonen, zijn Israelische staatsburgers. Op grond daarvan mogen zij aan verkiezingen voor bijvoorbeeld de Knesset deelnemen. Dit gegeven wordt door de pleitbezorgers van Israel vaak als argument gebruikt om te beweren, dat Palestijnen in Israel gelijke rechten hebben en dat Israel bijgevolg geen Apartheid kent.

In de ’mixt cities’ probeert de Israelische overheid de Palestijnen uit de getto’s te verwijderen, bijvoorbeeld door bestemmingsplannen aan te passen en Palestijnse wijk om te toveren in een groene zone met parken en tuinen. Palestijnen ontvangen dan het bevel om hun woonhuis te slopen. Doen zij dat niet, dan moeten zij achteraf betalen voor de sloopwerkzaamheden van het leger.

Veel parken in Israel zijn overigens aangelegd met geld van buitenlandse  donoren. De bomen worden veelal geplant op de ruïnes van na 1948 verwoeste Palestijnse dorpen, waardoor deze aan het zicht worden onttrokken. Toeristen lezen in deze parken op borden over historische gebouwen uit een ver verleden. Geen woord over de Palestijnen die daar ruim 60 jaar geleden nog woonden. Hun fruitbomen en cactussen staan al stille getuigen tussen de Europese pijnbomen.

In Nederland is JNF een geregistreerde liefdadigheidsinstelling, die zich profileert als natuur- en milieuorganisatie. In Israel is er ook een Holland Park, dat is aangelegd met donaties van Nederlanders.

Waarom BDS jegens Israel?

De voortschrijdende Nakba, het verdrijven van Palestijnen van hun grond richting concentratie gebieden, het voortduren van de bezetting van de Westelijke Jordaanoever, de Strook van Gaza en de Hoogvlakte van Golan, het plegen van de misdaad van Apartheid en het schenden van internationale rechtsregels, zonder dat de internationale gemeenschap daaretgen iets onderneemt – dit alles is voor de Palestijnse civil society reden geweest om tot Boycot, Desinvesteren en Sancties [BDS] jegens Israel op te roepen.

Deze oproep is richting de internationale gemeenschap gedaan om tot Israel te laten doordringen, dat het niet door kan gaan met het plegen van geweld en het schenden van de mensenrechten. Israel wordt al 62 jaar niet alleen niet bestraft, maar zelfs beloond in de vorm van allerlei speciale handelsverdragen en het in stand houden van normale betrekkingen. De Palestijnse civil society vindt dat dit zo niet langer door kan gaan. Zolang Israel zich niet als een respectabele staat gedraagt, moet het ook niet als zodanig behandeld worden.

BDS is een legitieme vorm van geweldloos verzet, die in het verleden met succes als pressiemiddel is ingezet, bijvoorbeeld in het geval van de Apartheid in Zuid-Afrika.

In 2005 is door de Palestijnse civil society tot BDS opgeroepen. Het gaat hierbij dus niet alleen om een consumentenboycot en een boycot van institutionele betrekkingen op cultureel en academisch gebied. Onder BDS valt ook het terugtrekken van investeringen door bijvoorbeeld banken en pensioenfondsen uit bedrijven die van de Israelische bezetting profiteren, evenals het opvoeren van druk op overheden om Israel sancties op te leggen.

De eerste versie van de oproep tot BDS is door ruim 170 Palestijnse organisaties ondertekend.

Het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) zelf kan niet tot BDS oproepen, omdat het in het verleden een reeks akkoorden met Israel heeft ondertekend en zich daaraan gebonden acht. FATAH, HAMAS en andere Palestijnse politieke partijen hebben via de Council of National and Islamic Forces in Palestine, een samenwerkingsverband van de grote politieke partijen, echter wel ondertekend.

De meest effectieve manier om de oproep tot BDS te steunen, is via goed gecoördineerde campagnes. Het Boycot National Comitee (BNC) dicteert niet wat of hoe er geboycot moet worden, aangezien de omstandigheden per land en de middelen per lokale actiegroep verschillen. De nadruk ligt op morele verantwoordelijkheid, het niet-investeren in bedrijven die van de bezetting profiteren, geen normale betrekkingen met Israel, zolang dit land zich niet aan internationale rechtsregels houdt. Bovenal is BDS een middel om mensen te informeren en te onderrichten.

Er zijn verscheidene goedlopende campagnes in het kader waarvan veel onderzoek is gedaan en waarbij anderen zich kunnen aansluiten. Een voobeeld is de campagne tegen Veolia, een Franse vervoersmaatschappij die in de hele wereld actief is. Veolia heeft een aandeel in de aanleg van de lightrail (tramlijn) die West-Jeruzalem moet verbinden met de illegale joodse nederzettingen rond Oost-Jeruzalem. Daarbij gaat het om schending van de Vierde Conventie van Genève en als zodanig een oorlogsmisdaad. De Nederlandse ASN Bank besloot al in november 2006 om haar relatie met Veolia te verbreken. Enkele andere banken en pensioenfondsen hebben het voorbeeld van Veolia gevolgd, waarna Veolia heeft besloten om zich uit het lightrail project terug te trekken. Door alle negatieve publiciteit lukt het Veolia evenwel niet om haar aandelen te verkopen. Want er blijkt geen investeerder te zijn die nog in het lightrail-project wil investeren.

Andere succesvolle campagnes richten zich tegen het bedrijf Carmel, dat op de bezette Westelijke Jordaanoever groenten en fruit produceert. Deze worden via Agrexco naar Europa geëxporteerd en zijn in de schappen van Nederlandse supermarkten te vinden. Een andere bekende campagne richt zich tegen cosmeticaproducten van het bedrijf Ahava, dat gevestigd is in de joodse nederzetting Mitzpe Shalem. Het maakt gebruik van modder uit de Dode Zee, die deel uitmaakt van bezet gebied.

De laatste tijd zijn er ook divesre bekende artiesten geweest, die naar aanleiding van internationale BDS-oproepen hebben besloten niet (langer) in Israel op te treden. Het gaat om ondermeer The Pixies, Gorillaz en Elvis Costello. Daarnaast zijn er ook voorbeelden van protesten tegen optredens van Israelische orkesten en sportteams, eb voorts tegen deelname aan filmfestivals in Europa en de Verenigde Staten. Tijdens de Torino Boekenbeurs in 2008 protesteerden duizenden mensen tegen de focus op Israel, geïnstigeerd door het Israelische Ministerie van Cultuur.

Het is van belang om er nog eens op te wijzen, dat het bij de culturele en academische boycot niet gaat om het treffen van individuele artiesten en academici, maar om de institutionele relaties en betrekkingen. Zo werken de Israelische Ministeries van Cultuur en Toerisme hard aan het organiseren van speciale spotlights op Israel tijdens festivals en evenementen, in een poging om Israel als een normaal land aan te prijzen, waarmee normale betrekkingen kunnen worden onthouden. Zolang deze initiatieven beloond worden, zal Israel zich gestimuleerd voelen om op de ingeslagen weg voort te gaan, ofwel met de misdaad van Apartheid.

Inmiddels is ook door vakbonden een aantal belangrijke successen behaald. Het Congres of South African Trade Unions (COSATU) was de eerste overkoepelende organisatie van de Zuid-Afrikaanse vakbonden, die de BDS-campagne is gaan steunen. Dit voorbeeld is gevolgd door de Canadian Union of Public Employees (CUPE). Inmiddels heeft een reeks andere vakbonden hun steun aan de BDS-campagne toegezegd en is daadwerkelijk in actie gekomen. Zo hebben Noorse en Zweedse dokwerkers, na de overval van Israel op het Gaza-hulpkonvooi, besloten om gedurende een aantal weken geen Israelische schepen meer te laden en lossen.

Soms vragen mensen of de oproep tot boycot de deur naar de dialoog niet dichtgooit. Die mensen denken nog steeds dat Israel via diplomatie tot een andere politiek bewogen kan worden. Mijn antwoord daarop is, dat de diplomatie de afgelopen 60 jaar heeft gefaald. Juist door de onvoorwaardelijke Westerse steun ziet Israel geen noodzaak om zijn opstelling te veranderen. Martin Luther King Jr. heeft ooit gezegd: ‘Vrijheid wordt door de ondrukker niet vrijwillig verleend, deze moet door de onderdrukten afgedwongen worden.’ Het aandeel van BDS in de strijd tegen de Apartheid in Zuid-Afrika toont aan, dat dit geen belemmering vormde, maar juist een belangrijk en effectief drukmiddel is geweest om de politieke leiders aan de onderhandelingstafel te krijgen. Men kan stellen dat BDS een diplomatiek pressiemiddel is. Het houdt verandering niet tegen, maar versnelt deze juist.

Een ander veelgehoord argument tegen BDS is dat Palestijnse arbeiders, werkzaam in Israelische bedrijven, als eersten de negatieve gevolgen ervan zullen voelen. Dit is zeker het geval en wij ontkennen dat ook niet. Het zijn echter diezelfde Palestijnse arbeiders geweest, die ons als BNC hebben benaderd en bijvoorbeeld hebben opgeroepen tot de boycot van de groenten en fruit die door Carmel/Agrexco worden geproduceerd en naar Europa worden geëxporteerd. De Palestijnse arbeiders willen boven alles hun grond, hun rechten en hun waardigheid terug. Zij bereid om hun baan te verliezen, indien dit betekent dat zij op de langere termijn hun vrijheid zullen hervinden.

De huidige werkloosheid onder de Palestijnse bevolking is het directe gevolg van het Israelische beleid. Indien Israel ertoe wordt gedwongen om dit beleid te veranderen, dan zal de Palestijnse economie daarvan in belangrijke mate profiteren.

Tijdens mijn bezoek aan diverse actiegroepen in Europa heb ik gemerkt dat thans wij – vijf jaar na de oproep tot BDS – het stadium van overleg en discussie over de BDS-strategie achter ons hebben liggen en dat de activisten zich scharen achter de oproep van de Palestijnen om op deze vorm van solidariteit te betuigen. Dit is waar de Palestijnse civil society om vraagt. Er is steeds meer overleg tussen de diverse groepen en men maakt goed gebruik van elkaars onderzoeken, initiatieven en materialen.

Nederland wordt als voorloper gezien in het creatieve actievoeren met de filmpjes van Flashmobs, Badjassenbrigade en de Koop geen Israelische Dadels-campagne die momenteel wordt gevoerd.

Kort na de aanval op het Gaza-hulpkonvooi deden Amin en Anne – twee  Nederlandse opvarenden – een oproep om de BDS-campagne te steunen. Tegelijk is de nieuwe website www.bdsnederland.nl gelanceerd. Hierop staat belangrijke informatie, en concrete actie-oproepen.

%d bloggers like this: