Skip to content

Producten uit nederzettingen: Gaan we ze etiketteren of verbieden?

 

(geplaatst met toestemming van Christophe Perrin, BDS Frankrijk)

Nederland gaat de groothandel vragen op goederen afkomstig van Israëlische kolonialisten etiketten aan te brengen die de herkomst van producten duidelijk aangeven. Engeland en Denemarken hebben dit soort maatregelen al getroffen. Net als deze twee landen zijn de Nederlandse autoriteiten niet van plan sancties op te leggen om de distributienetwerken te dwingen deze “aanbevelingen” op te volgen. Door het afkondigen van deze richtlijnen maakte men duidelijk: “het is niet illegaal producten uit de nederzettingen te importeren”.

Deze regelgeving om duidelijk te maken dat producten uit de nederzettingen afkomstig zijn heeft geleid tot debat. Ze wekt de indruk dat Europese instituties en regeringen, die de Israëlische nederzettingen beschouwen als illegaal en belemmeringen van de vrede, eindelijk hebben besloten tot actie door de wet toe te passen. Dit wordt gezien als een eerste stap.

Anderen zien het benoemen van producten als afkomstig van nederzettingen als een verkeerd signaal. Zulke maatregelen leiden af van het echte probleem en de gevolgen hiervan kunnen voor de Palestijnen rampzalig zijn. Ze hebben allereerst ten doel de Europese publieke opinie die zich druk maakt om de Palestijnse rechten en de wetsovertredingen begaan door Israël ernstig veroordeelt op een goedkope manier af te leiden. Door dit benoemen proberen de voorstanders niet het internationale en Europese recht na te leven. Integendeel, deze “slappe” wettelijke maatregelen zijn erop gericht de status van dat recht aan te tasten en de wettelijkheid teniet te doen, als een essentiële eerste bron en referentiekader voor een rechtvaardig eind te maken aan de kwestie.

Om een mening te vormen is het beslist noodzakelijk om te luisteren naar degenen die er het meest belang bij hebben: de Palestijnen. Zij zijn degenen die te maken hebben met de ondernemingen in de nederzettingen, de productie en  het op de markt brengen van die producten die de meeste schade doen. Let wel, de Palestijnen, hun burgerlijke verzetsnetwerken niet minder dan de boeren en hun bonden, eisen niet dat de herkomst van die producten wordt vermeld in Europa, maar dat het vermarkten wordt verboden. Deze uitdrukkelijke eis is opnieuw met nadruk gesteld op 4 februari 2013 in de oproep “Onrechtmatig kweken: maak een eind aan alle handel met Israëlische landbouwondernemingen” ter gelegenheid van een wereldwijde actiedag tegen de Israëlische landbouw- en voedingsmiddelenindustrie. Alle Palestijnse boerenbonden tekenden die oproep in het kader van de BDS (boycot, desinvestering en sancties) campagne.

We moeten ook een blik slaan op de wettelijke situatie van de producten uit de nederzettingen. Die blik zal ons in staat stellen uit wettelijk oogpunt te bekijken en vast te stellen hoe goed gefundeerd de Palestijnse eis is van verbod en hoe het staat met de maatregel van het labelen die sommige Europese regeringen voorstellen.

I – Producten uit de nederzettingen: wat zegt het internationaal recht?

Uit wettelijk oogpunt is de situatie van de Palestijnse Gebieden uiterst duidelijk. Sinds de oorlog die Israël ontketende in 1967, en tijdens de bezetting die tot vandaag voortduurt, zijn de Palestijnse Gebieden bezette gebieden die vallen onder internationaal humanitair recht. De 4e Conventie van Geneve van 1949 en het Verdrag van Den Haag van 1907 zijn de twee fundamentele teksten die hierop van toepassing zijn, aangevuld met het Verdrag van Rome waarbij het Internationaal Strafhof werd opgericht. De leugenachtige argumenten waarmee het Hooggerechtshof van de Staat Israël komt aanzetten om te proberen de wettelijke realiteit van de bezette gebieden te ontkennen en, als gevolg daarvan, te poneren dat het internationale humanitaire recht niet van toepassing is, zijn van tafel geveegd door het Internationaal Strafhof (1), en ook door de Conferentie van Lidstaten van de 4e Conventie van Geneve (1999)². De herinneringen door de Algemene Vergadering en door de Veiligheidsraad dat de verdragen gelden voor de Palestijnse kwestie blijven ook van kracht³.

1) De regels van Den Haag

De Regels van Den Haag geven de definitie van een bezet gebied4, ze specificeren de plichten van de bezetter5, wat die wel en niet mag doen. Vorderen is toegestaan, maar alleen voor de behoeften van het bezettingsleger6. Maar privébezit moet worden gerespecteerd en mag niet worden ingepikt7. De bezetter is alleen administrateur en heeft alleen vruchtgebruik van overheidsgebouwen, onroerend goed, bossen en landbouwgebieden8.

Gelet op de Regels van Den Haag, het vestigen van nederzettingen, zij het landbouw, industrie of ter bewoning, komt niet voort uit militaire noodzaak9; in feite gaat het gepaard met zowel verwoesting van onroerend goed en overheidsgebouwen alsook ernstige schending van privéeigendom.

1)    Vierde Conventie van Genève

Deze Conventie van Genève regelt de behandeling van de burgerbevolking in het geval van gewapend conflict en bezetting. Ze verbiedt uitdrukkelijk gedwongen verplaatsingen, collectief dan wel individueel, en ook deportatie uit bezet gebied. De Conventie verbiedt de bezettende macht eveneens een deel van haar eigen bevolking over te brengen nar het gebied dat deze bezet10, of eigendom en onroerend goed te vernielen die collectief of individueel toebehoren aan privépersonen of overheidsinstituties11.

Deze ‘‘ernstige schendingen” van de Conventie van Genève vormen nu juist de basis van Israëls nederzettingen- en bezettingsbeleid, dat Europese regeringen voortdurend en bij herhaling veroordelen, zonder echter te proberen er een eind aan te maken. Toch hebben deze zelfde Staten op zich genomen12 “… deze Conventie te respecteren en te zorgen voor handhaving van deze Conventie onder alle omstandigheden”.

Deze verbintenis in Artikel 1 van de Conventie van Genève, zoals in alle conventies van Genève, is niet alleen maar bij wijze van spreken. Het doel van de Conventie is zo veel hoger, het is zo algemeen erkend als noodzakelijk voor elke beschaving, dat we de behoefte voelen het evenzeer, zo niet meer, uit te spreken vanwege het respect dat het eist als voor onze verwachting dat de wederpartij het zal verschaffen. Het ontbreken van de wil aan de kant van de Europese staten om deze verbintenis na te komen door maatregelen te treffen die een eind zouden kunnen maken aan de kolonisering van de Palestijnse gebieden door Israël is op zichzelf al een schending van de 4e Conventie van Genève.

2)    Reglement van het Internationaal Strafhof

De laatste stappen vooruit wat betreft het internationaal recht maken deze Europese apathie nog verbazingwekkender. Het reglement van het Internationaal Strafhof dat van kracht werd in 2002 heeft zelfs bepaalde eisen van het internationale humanitaire recht aangescherpt. Zo zijn gedwongen verplaatsing van bevolking en deportaties, vernietiging van goederen en het overbrengen van de eigen bevolking door de bezettende macht, door de 4e Conventie van Genève gedefinieerd als “ernstige schendingen” van het oorlogsrecht, door het Reglement van het Internationaal Strafhof opnieuw geclassificeerd en geplaatst in de categorie “oorlogsmisdaden”.

4) Producten uit de bezette gebieden

Producten uit de bezette gebieden en dus de herkomstaanduiding zijn geen zaken waarmee het internationaal humanitair recht of het internationaal strafrecht zich expliciet bezighoudt. Wel geven zij definities en voorschriften over handelingen en processen die ze mogelijk maken. Deze producten uit de bezette gebieden zijn het directe gevolg van deze illegale handelingen en processen. Het algemene rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit” (fraude corrumpeert alles), toegepast op dit bijzondere geval, geeft een ondubbelzinnig antwoord: de onwettigheid van de kolonisatie maakt alle activiteiten en daarop gebaseerde aanspraken frauduleus of van nul en geen waarde, in het bijzonder productie en vermarkting van koopwaar die eruit voortkomt. Aanduiding van de herkomst lijkt, op z’n allerminst, een problematisch antwoord. Hoe kan iemand een verkoopregeling gebruiken als antwoord op een oorlogsmisdaad?

3)    Medeplichtigheid

Voorts is de kwestie van faciliteren of bijdragen aan de misdaad nog een andere factor die het Statuut van het Internationaal Strafhof in het internationaal strafrecht introduceert, die in de beschouwing moet worden meegenomen. Productie van koopwaar in de bezette gebieden is inderdaad een oorlogsmisdaad en doet roept de vraag op naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid van diegenen die nalaten de productie en op de markt brengen tegen te gaan14. De visie is gerechtvaardigd dat vermelden van de herkomst die de misdaad niet verhindert maar ruim baan geeft, moet worden gezien als vallend binnen het concept van medeplichtigheid.

Uit het oogpunt van internationaal humanitair recht is het duidelijk dat de producten uit de bezette gebieden illegaal zijn en bij deze uitkomst van wettelijk onderzoek is het onaanvechtbaar dat de eis van de Palestijnen dat het op de markt brengen van deze producten wordt verboden goed gefundeerd lijkt te zijn.

Maar alvorens een definitieve conclusie te trekken is het wel zo goed naar het Europese recht te kijken. Dit zou strijdig kunnen zijn met het internationaal humanitair recht.

II. – Wat zegt de Europese wet over producten uit de bezette gebieden?

1)    Algemeen

Het Verdrag van Lissabon stelt dat: “De Unie berust op de waarden van respect voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkwaardigheid, de kracht van de wet en respect voor de mensenrechten, waarbij inbegrepen de rechten van personen die behoren tot minderheden. Deze waarden zijn gemeenschappelijk in de Lidstaten in een maatschappij waarin diversiteit, niet-discrimineren, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkwaardigheid tussen vrouw en man overheersen.” (Artikel 1 a).

De CFSP (EU gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid) beklemtoont deze waarden en principes in de context van actie naar buiten. Die berust op “respect voor de beginselen van het Handvest van de VN en het internationaal recht”15.

Ook al is dit zonneklaar, we merken op dat de bezettingshandelingen van Israël (gedwongen verplaatsing van bevolking, diefstal van land en water, nederzettingen vestigen van de eigen bevolking in de bezette gebieden, onrechtmatige exploitatie) niet overeenkomen met de normen en waarden die de Europese lidstaten voor zichzelf hebben vastgelegd.

2)    Associatieverdrag

In 1995 heeft de EU zich in het kader van het Proces van Barcelona16 verbonden partnerschappen te ontwikkelen met andere landen in het Middellandse Zeegebied (Algerije, Cyprus, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Syrië, Tunesië, Turkije en de Palestijnse Autoriteit).

Het Associatieverdrag tussen de EU en Israël, dat is gesloten in november 199517 en dat van kracht werd in juni 2000, gaf in- en uitvoer tussen de EU en Israël vrijstelling van douanerechten. Alleen producten die geheel afkomstig waren uit Israël, dan wel van andere herkomst maar voldoende bewerkt in Israël, vallen onder dit verdrag. Dit verdrag geldt alleen in het kader van Israëls internationaal erkende grenzen, die van 1949. Producten afkomstig uit nederzettingen in de Bezette Gebieden, geregeerd door Israël, mogen niet profiteren van de voorkeursbehandeling bij de douane. Een dergelijk verdrag is getekend door de EU met de PLO (Palestine Liberation Organisation) namens de Palestijnse Autoriteit18. De Westoever en de Gazastrook zijn de enige gebieden waar dit verdrag geldt.

De periode waarin deze associatieverdragen gelden hangt af van de nakoming van de waarden en beginselen waarop de EU is gegrondvest en wordt geregeerd19. Het Europese Parlement stemde voor opschorting van deze associatieverdragen in april 2002 op basis van het feit dat Israël niet voldeed aan deze waarden. De Commissie en de Raad van Europa legden dit naast zich neer onder voorwendsel dat de stemming van het Parlement niet bindend was.

3)    Een voortdurende fraude

Van het moment dat het associatieverdrag van kracht werd af heeft de staat Israël zich niet gehouden aan de voorwaarden en frauduleuze herkomstverklaringen ingediend, door uitvoer van producten afkomstig uit de Bezette Palestijnse Gebieden (zowel nederzettingen als Palestijns gebied) met Israëlische certificaten.

Bij tal van gelegenheden hebben de Europese autoriteiten hun twijfel geuit over de waarde van de door Israël afgegeven certificaten, in het bijzonder in 1997, 1998 en 2001. Met het oog op de massale en steeds weerkerende aard van dit bedrog heeft de Commissie een technische regeling afgekondigd (Notitie No. 2005/C 20/02)20. Deze Notitie vereiste dat met ingang van 1 februari 2005 alle transportcertificaten van goederen “de naam van de stad, het dorp of het industriegebied, of de plaats van productie die de status van herkomst verleent” moesten vermelden. Ondanks deze nieuwe regeling bleef de fraude systematisch doorgaan, door gebrek aan gezamenlijke lokale inspectie van de herkomstverklaringen die Israël verstrekt.

4)    Herkomstverklaring om sancties te vermijden

Rond 2008 deed de Britse regering onderzoek naar landbouwproducten uitgevoerd door Israël naar het Verenigd Koninkrijk. Douane-inspectie onthulde hoe ineffectief de technische regeling van 2005 was. Het onderzoeksrapport concludeerde dat het onmogelijk was te garanderen dat de producten werkelijk kwamen uit het gebied dat stond op het certificaat van origine. De onderzoekers noteerden talrijke valse verklaringen21. Men zou verwacht hebben dat de Britse regering dit bedrog zou afstraffen volgens de EU wetgeving. Hoe dan ook, men deed niets maar, ten behoeve van de bescherming van consumentenrechten, werd in december 2009 een niet-bindende gedragscode gepubliceerd waarin de groothandel werd gevraagd de herkomstverklaring van producten uit de Israëlische nederzettingen nader aan te duiden23.

Vier jaar na die publicatie is het opmerkenswaardig dat het voornaamste resultaat van deze maatregel was dat de frauduleuze praktijken van Israël werden geïntensiveerd. Producten uit de nederzettingen worden nu uitgevoerd onder dekking van herkomstplaatsen binnen Israël. Het is niet moeilijk dat bedrog te plegen. Bij afwezigheid van elke georganiseerde inspectie ter plaatse hoeft Israël alleen maar de technische notitie van 2005 niet toe te passen; een eenvoudige toevoeging op  verpakking en certificatiedocumenten is al wat nodig is. Dawood Hammoudeh, uitvoerend directeur van de Palestijnse Boerenbond, verklaarde begin 2013 volkomen terecht, “Exacte herkomstverklaring van producten uit nederzettingen wordt bijna onmogelijk in het kader van puur bedrog door Israëlische leveranciers, speciaal waar Israëlische ondernemingen zelf de invoer van producten uit de nederzettingen afhandelen …24.”

5)    De BRITA-uitspraak

Die uitspraak uit 201025 van het Europese Hof van Justitie wekte veel beroering. Voor de eerste keer deed de hoogste wettelijke autoriteit van de EU een rechterlijke uitspraak over de kwestie van de producten uit de nederzettingen.

De Duitse onderneming Brita importeerde limonades en siropen geproduceerd door Soda-Club, in Mishor Adumim, het industrieterrein van de nederzetting Ma’ale Adumim in de Westoever. Op grond van de geografische ligging van Soda-Club weigerde de Duitse douane de voorkeursbehandeling toe te passen die Brita eiste. Ondervraagd door de Duitse douane over de precieze oorsprong van de handelswaar, antwoordden de Israëlische autoriteiten dat ze kwamen uit een “gebied dat viel onder de rechtsmacht van de Israëlische douane”. Vanwege de vaagheid van dit antwoord bleven de Duitse douanebeambten bij hun oorspronkelijke besluit. Brita vocht dit aan bij het Hamburgse financiële Hof en dat vroeg het Europese Hof van Justitie een tussenvonnis uit te spreken over een specifieke kwestie:

–  of goederen vervaardigd in de Palestijnse Bezette Gebieden konden profiteren van de voorkeursbehandeling van het Verdrag tussen de EU en Israël.

–  in het geval dat het antwoord op deze vraag negatief was, kon de staat Israël dan het Verdrag tussen de EU en de PLO gebruiken voor certificaten van producten, gemaakt in de Palestijnse Bezette Gebieden?

–   kan kracht van wet worden afgedwongen tegenover Europese landen voor certificaten afgegeven door Israël voor die producten die afkomstig zijn uit de Bezette Gebieden?

Het Europese Hof van Justitie antwoordde negatief op deze drie vragen. Toch had de Brita-uitspraak verdere repercussies, aangezien de wettelijke argumenten die de rechter gebruikte in antwoord op de gestelde vragen wettelijk even belangrijk zijn als de feitelijke conclusies. Wat zei de rechter met betrekking tot de Notitie?

Om te beginnen stelde de EU vast dat er twee afzonderlijke associatieverdragen zijn, een met Israël en het andere met de PLO die optrad namens de Palestijnse Autoriteit.

Ten tweede, elk van die associatieverdragen gold voor een specifiek grondgebied. Het associatieverdrag tussen de EU en Israël bepaalt dat het geldt voor het “gebied van de staat Israël” (artikel 83). Het associatieverdrag tussen de EU en de PLO verklaart dat het geldt voor het “gebied van de Westoever en de Gazastrook” (artikel 73).

Tenslotte, Israël en de PLO hebben ieder exclusief rechtsmacht om certificaten van oorsprong uit te geven voor goederen of toestemming te verlenen aan exporteurs gevestigd binnen de grenzen van het gebied dat onder hun regering valt.

Derhalve:

Alleen de Palestijnse Autoriteit is bevoegd om een certificatiedocument uit te geven voor goederen afkomstig uit de Westoever en Gaza en dat is het geval wie de producent ook is, of dat nu een of een staatsburger van een Palestijn is, een Israëlische kolonist ander land. Deze bevoegdheid om certificaten uit te geven is exclusief. De staat Israël heeft geen certificatiemacht voor de Westoever of de Gazastrook en dientengevolge zijn certificatiepapieren die Israël verleent voor de producten van de Israëlische nederzettingen op de Westoever waardeloos en nietig, van nul en geener waarde. De regelgeving bepaalt dat voor goederen zonder certificatiedocument  een verbod geldt, het gebied van de EU binnen te komen.

In feite geeft de Brita-uitspraak een definitief antwoord op de vraag van de herkomstaanduiding. Die vraag is irrelevant en kan niet worden gesteld, omdat men geen herkomstaanduiding kan geven voor goederen die het gebied van de EU niet binnen kunnen komen omdat ze niet beschikken over de nodige certificatiepapieren. Alleen al toepassing van de beslissing van het Europese Hof van Justitie zou, puur en simpel, het verbod tot binnenkomen van producten uit de nederzettingen met zich meebrengen.

6)    Herkomstaanduiding als een manier om de Brita-uitspraak niet toe te passen

De tegenzin van Europese leiders om de Brita-uitspraak te erkennen als ze het probleem van de producten uit de nederzettingen bespreken is gemakkelijk te begrijpen, omdat die beslissing hun duidelijk toont hoe dat wettelijk zou moeten worden opgelost: verbod tot binnenkomst op gebied van de EU.

Pas kort geleden gaf het antwoord van Laurent Fabius, Minister van Buitenlandse Zaken, op schriftelijke vragen van Patrice Carvalho,26 afgevaardigde van Oise, een perfecte illustratie van deze weigering om de uitspraak van het Europese Hof van Justitie toe te passen, wat gepaard zou gaan met sancties tegen Israël.

Bij het aan de orde stellen van de recentste Israëlische schendingen van Palestijnse rechten, riep de vertegenwoordiger van Oise in de herinnering dat deze zouden moeten leiden tot opschorting van het Associatieverdrag. In afwachting van zo’n maatregel die de EU zou moeten nemen vroeg hij Laurent Fabius of Frankrijk “… het binnenkomen van producten afkomstig uit de nederzettingen niet kon verbieden, aangezien zij de wettigheid van deze kolonies niet erkent, gezien in het licht van de 4e Conventie van Genève?”

In zijn antwoord liet de minister van buitenlandse zaken de Brita-uitspraak compleet buiten beschouwing  en gaf aan dat “Frankrijk de C-20 Notitie voor importeurs van 25 januari 2005, gepubliceerd in het officiële Blad van de Europese Unie, naleeft.” Zoals we al zagen heeft deze technische notitie bewezen niet te werken omdat er geen georganiseerde inspectie van de Israëlische certificatenpraktijen bestaat. Maar wat erger is, dit verwijst slechts naar een technische aanmaning, die geen rechtskracht heeft in vergelijking met de Brita-uitspraak van het Europese Hof van Justitie. Waarom zou Laurent Fabius zo’n omissie begaan? De rest van zijn antwoord werpt hierop licht: “Frankrijk is nu bezig, samen met verschillende van zijn Europese partners, de mogelijkheid te onderzoeken een gedragsrichtlijn uit te geven over herkomstaanduiding van producten uit de nederzettingen, zoals tegenwoordig bestaat in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken.” Dit project is in strijd met de Brita-uitspraak.

Conclusie

Zowel het internationaal recht als de EU-wetgeving neigen ertoe de situatie van de Palestijnen te steunen, die, terecht, eisen dat de producten van de nederzettingen een verbod treft in Europa op de markt te verschijnen. De weigering van de Europese autoriteiten om de wet toe te passen en sancties op te leggen in antwoord op de inbreuken begaan door Israël, maakt het mogelijk dat dit onrecht compleet straffeloos voortduurt. Laurent Fabius’ zorg en die van zijns gelijken is dat de publieke opinie, die de Palestijnen steunt, hen niet ziet als degenen die deze straffeloosheid stimuleren en van ganser harte beschermen. Daarom moeten zij constant nieuwe argumenten aandragen en listen verzinnen die er uitzien als rechtmatig, maar zorgvuldig vermijden de wet toe te passen, waarvan de herkomstaanduiding de laatste verschijningsvorm is.

We hebben gezien dat deze regels voor herkomstaanduiding niet gericht zijn op naleving van de wet maar om die te negeren. Ze ontkennen het internationale humanitaire recht en de wetgeving van de EU.

Bovendien, afgezien van de mening die iemand kan hebben over de tweestatenoplossing die de EU staten steunen, het is duidelijk dat deze regels over herkomstaanduiding de geloofwaardigheid van de politieke positie van de EU lidstaten totaal tenietdoen. Kunnen de leiders van de Europese staten serieus doen alsof zij het stichten van een levenskrachtige Palestijnse staat steunen, als zij het kleine beetje soevereiniteit dat zij tot nu toe hebben toegestaan, met voeten treden? Want, in het kader van het Verdrag tussen Eu en PLO, hebben de Europeanen de Palestijnen het exclusieve recht toegekend goederen geproduceerd op hun grondgebied te certificeren. Maar dwingend herkomstaanduiding op te leggen voor producten uit Palestijns gebied, maar gecertificeerd door een andere staat, veegt dat recht van tafel. Dit is beslist een ontkenning van Palestijnse soevereiniteit.

 

Christophe Perrin is lid van BDS France. Hij organiseert ook de Legale Coalitie, een zijtak van de Coalitie tegen Agrexco. Hij is specialist bij de Cimade [Franse organisatie voor verdediging van migrantenrechten] inzake vreemdelingenhaat, racisme en discriminatie.

Vertaling uit het Frans: Marianne van Ophuysen.

 

 

1

ICJ 9/72004 Legal Consequences of the Construction of a Wall in the Occupied Palestinian Territory

2                The States Parties to the 4th Geneva Convention adopted the application of the text to the Occupied Territories, at their conference of 15 July 1999. In the final statement, they “reaffirmed the applicability of the 4th Geneva Convention to the Occupied Palestinian Territory, including East Jerusalem.” Then, on 5 December 2001, the High Contracting Parties having regard, in particular, to Article 1 of the 4th Geneva Convention of 1949, reaffirmed once more “the applicability of the Convention to the Occupied Palestinian Territory, including East Jerusalem”. Furthermore, they recalled “the respective obligations under the Convention of all High Contracting Parties (para. 4-7), of the parties to the conflict (para. 8-11) and of the State of Israel as the Occupying Power.”

3                General Assembly, Resolutions 56/60 of 10 December 2001 and 58/97 of 9 December 2003.
Security Council Resolution 237 (1967);
Security Council Resolution 271 (1969);
Security Council Resolution 446 (1979);
Security Council Resolution 681 (1990);
Security Council Resolutions 799 (1992) and 904 of 18 December 1992.

4                               Article 42. “Territory is considered occupied when it is actually placed under the authority of the hostile army. The occupation extends only to the territory where such authority has been established and can be exercised.

5          Article 43 imposes upon the occupier the duty to “take all the measures in his  power to restore, and ensure, as far as possible, public order and safety, while respecting, unless absolutely prevented, the laws in force in the country.

6          Article 52. “Requisitions in kind and services shall not be demanded from municipalities or inhabitants except for the needs of the army of occupation. They shall be in proportion to the resources of the country, and of such a nature as not to involve the inhabitants in the obligation of taking part in military operations against their own country.”

7                  Article 46. “Family honour and rights, the lives of persons, and private property, as well as religious convictions and practice, must be respected. Private property cannot be confiscated.”

8          Art. 55. The occupying State shall be regarded only as administrator and usufructuary of public buildings, real estate, forests, and agricultural estates belonging to the hostile State, and situated in the occupied country. It must safeguard the capital of these properties, and administer them in accordance with the rules of usufruct.

9                  The International Court of Justice holds that the principle of distinction between military and civil property is one of the “intransgressible principles of international customary law”.

1          0  GC IV Art. 49.  Individual or mass forcible transfers, as well as deportations of protected persons from occupied territory to the territory of the Occupying Power or to that of any other country, occupied or not, are prohibited, regardless of their motive. The Occupying Power shall not deport or transfer parts of its own civilian population into the territory it occupies.

1          1  GC IV Art. 53. “Any destruction by the Occupying Power of real or personal property belonging individually or collectively to private persons, or to the State, or to other public authorities, or to social or cooperative organizations, is prohibited, except where such destruction is rendered absolutely necessary by military operations.”

1          2 GC IV Art. 1. – “The High Contracting Parties undertake to respect and to ensure respect for the present Convention in all circumstances.”

1          3  ICC Statute, Art. 8. 2.a.iv. and Art. 8. 2.b.viii.

1          4 ICC Statute Art. 25. 3.c-d: “In accordance with this Statute, a person shall be criminally responsible and liable for punishment for a crime within the jurisdiction of the Court if that person: …
c) For the purpose of facilitating the commission of such a crime, aids, abets or otherwise assists in its commission or its attempted commission, including providing the means for its commission; d) In any other way contributes to the commission or attempted commission of such a crime by a group of persons acting with a common purpose.

 

1          5 CFSP Art. 21.
1. The Union’s action on the international scene is guided by the principles which have inspired its own creation, development and enlargement, the principles it seeks to advance in the wider world:  democracy the rule of law, the universality and indivisibility of human rights and fundamental freedoms, respect for human dignity, the principles of equality and solidarity, and respect for the principles of the Charter of United Nations and international law.

“2. The Union shall seek to develop relations and build partnerships with third countries and with international organizations, regional or global organizations which share the principles referred to in the first paragraph. It shall promote multilateral solutions to common problems, in particular in the framework of the United Nations.”

“3. The Union shall define and pursue common policies and actions, and shall work for a high degree of cooperation in all fields of international relations in order to: …

“c.  to preserve peace, prevent conflicts and strengthen international security, in accordance with the principles of the UN Charter and the principles of the Helsinki Final Act and the objectives of the Paris Charter, including those relating to external borders;”

1          6  Euro-Mediterranean Ministerial Conference, Barcelona, 27 and 28 November 1995.

1          7  Euro-Mediterranean Agreement establishing an association between the European Communities and their Member States  of the one part, and the State of Israel, of the other part, signed in Brussels on 20 November 1995 (OJ 2000,  147, p.3).

1          8   Euro-Mediterranean Interim Association Agreement on trade and cooperation  between the European Community, of the one part, and the Palestine Liberation Organization (PLO) for the benefit of the Palestinian Authority of the West Bank and the Gaza Strip, of the other part, signed in Brussels on 24 February 1997 (OJ 1997, L 187, p. 3).

1          9  EU/Israel Agreement, Art. 2. “Relations between the Parties, as well as all the provisions of the Agreement itself, shall be based on respect for human rights and democratic principles, which guides their internal and international policy and constitutes an essential element of this Agreement”.

2          0 Notice to Importers, Imports from Israel into the Community (2005/C 20/02).

2          1  House of Commons debate, 27 January 2010, Column 313 WH EU-Israel Trade Agreement.

2          3   Technical advice: labelling of produce grown in the Occupied Palestinian Territories – Department for Environment, Food and Rural Affairs 10/12/2009.

2          4 BDS: Farming Injustice – International trade with Israeli agricultural companies and the destruction of Palestinian farming 9/2/2013.

2          5 Judgment of 25 February 2010, C-386/08 Brita GmbH / Hauptzollamt Hamburg-Hafen.

2          6 French 14th National Assembly, Question No. 15233 – published in the OJ of 08/01/2013, page  120. Reply published in the OJ of 19/02/2013, page 1812.

 

http://www.bdsfrance.org/index.php?option=com_content&view=article&id=1051%3Aetiquetage-ou-interdiction-des-produits-des-colonies-&catid=9%3Aevenements-bds-france&Itemid=98&lang=fr


4                               Article 42. “Territory is considered occupied when it is actually placed under the authority of the hostile army. The occupation extends only to the territory where such authority has been established and can be exercised.

2          0 Notice to Importers, Imports from Israel into the Community (2005/C 20/02).

2          6 French 14th National Assembly, Question No. 15233 – published in the OJ of 08/01/2013, page  120. Reply published in the OJ of 19/02/2013, page 1812.

 

 

 

 

 

 

%d bloggers like this: